Zusterliefde

18 november 2021 Door Marleen Samplonius-Ottens

Het avondeten staat nog maar goed en wel op tafel of het begint: Het jennen, treiteren en soms oprecht ruziën van onze beide puberdochters, al dan niet aangevuld door papa en/of mama. Aanleidingen zijn meestal niet noemenswaardig, maar het kan soms behoorlijk hoog oplopen.

Onze dochters van 12 en 13 zijn totaal verschillend. Dat gaat van verschil in kledingstijl tot interesse voor school, hobby’s en levensopvattingen. De één draagt skinny jeans, de ander een wijde broek met gaten. De één is super fanatiek op school, de ander ondergaat het zuchtend en steunend. De één houdt van het huishouden en lekker koken, de anders is veel liever creatief aan de slag met tekenen, schilderen en nu zelfs haken. De één komt er rond voor uit dat ze lesbisch is, de ander denkt dat dat allemaal aandachttrekkerij is en een fase.

En wij staan daar als ouders regelmatig tussenin. Als we het voor de één opnemen, vindt de ander dat we haar voortrekken. Als we de één een complimentje geven, vraagt de ander of zij dat dan niet goed heeft gedaan of gezegd. En af en toe komt de vraag van wie we het meest houden. Dat we die vraag nooit kunnen beantwoorden, is maar lastig te begrijpen.

Als het getreiter of geruzie soms te lang duurt of als het in mijn ogen té onredelijk wordt, wil ik wel eens ontploffen. Met excuses aan de buren, laat ik luid en duidelijk merken dat het klaar moet zijn en dat ze elkaar en elkaars verschillen nu maar eens moeten accepteren. Als de meeste stoom daarna is afgeblazen, kunnen we er nog eens rustig over praten.

Dan benoemen we elkaars verschillen en proberen we aan elkaar duidelijk te maken waarom we dingen doen zoals we ze doen en ik probeer daar vooral aan toe te voegen dat dat mag. Dat geen mens gelijk is en dat je in alle redelijkheid je eigen weg mag volgen en dat we van de ander vragen om dat te accepteren en te respecteren.

Eigenlijk gun ik iedereen zo’n zus. Want ondanks de onenigheden, de soms felle discussies en de ruzies, doen ze het toch maar samen. In één huis, in één gezin en regelmatig ook nog gezellig samen op de bank. Zoekend naar de overeenkomsten om dat dan samen te delen.

Zouden onze volksvertegenwoordigers in de Tweede Kamer deze zusterliefde (of broederliefde) ook kennen, vroeg ik me deze week af. Zouden ze geleerd hebben hoe ze op een goede manier met de verschillen kunnen omgaan? Hoe ze op een goede, respectvolle manier kunnen discussiëren? Hoe ze ondanks onenigheden toch kunnen zoeken naar de (soms kleine) overeenkomsten om samen in die kamer te kunnen zitten. Dat ze niet blijven ruziën en zeker niet gaan schelden of bedreigen?

Waarschijnlijk (of is nu mijn wens de vader van de gedachte) kiezen onze dochters nooit voor een functie in de politiek. Mochten ze dat allebei wel doen, dan zit de één waarschijnlijk links en de ander rechts. Maar als het het meest nodig is, zoeken ze elkaar in het midden op.

Ik gun iedereen die zusterliefde.