Uit liefde

25 maart 2021 Door Marleen Samplonius-Ottens

“Ik mag met J. mee in de auto. Haar vader brengt ons. Hij houdt namelijk wél van zijn dochter!” Met een uitdagende blik staat onze 13-jarige brugklasser voor me. Ik zie dat ze het niet echt meent, maar ze is wel benieuwd naar mijn reactie: “Juist omdat ik zoveel van je hou, vind ik dat je gewoon op de fiets moet gaan.”

De discussie is ontstaan over haar allereerste toetsweek. Die wordt in verband met Corona niet op school zelf gehouden, maar in een groot zalencomplex waar meer mogelijkheden zijn om op ruime afstand van elkaar te zitten. Dat gebouw is gewoon in onze woonplaats, maar dan iets verderop.

Onze dochter heeft het geluk dat haar middelbare school bij ons om de hoek staat. In het begin ging ze nog wel eens op de fiets, maar nu loopt ze er meestal naar toe, zo dichtbij is het. Een groot contrast met mijn middelbare schooltijd. Ik moest 18 kilometer fietsen en deed dat meestal met heel veel plezier. Van mijn ouders mocht ik best met de bus, maar dat wilde ik niet.

In de vroege ochtend gingen we vaak met een groep uit ons dorp op pad en onderweg sloten groepen uit andere dorpen bij ons aan, zodat er een lange sliert met fietsende scholieren ontstond. Ik vond het gezellig en als ik op de terugweg wel eens alleen fietste, vond ik ook dat geen straf.

Waarschijnlijk heb ik heel verbaasd en verontwaardigd gekeken toen onze dochter in het begin van de brugklas een keer vroeg toen het regende: “mam, breng je me even naar school?” Ik ben er nog steeds niet helemaal achter of het een serieuze vraag was of niet, maar mijn antwoord liet in ieder geval niet aan duidelijkheid te wensen over.

Toen bleek dat de toetsweek in het andere pand werd gehouden, ongeveer 10 minuten fietsen, zei dochterlief: “dan breng je me wel even met de auto toch, mam?” Twijfelde ik aan het begin van het schooljaar nog, nu was ze absoluut serieus met haar vraag. En mijn antwoord was dat ook weer: “ik peins er niet over!”

Zoals het een echte puber betaamt was ze ontzettend verontwaardigd en ging ze direct in de tegenaanval: “omdat jij nou toevallig vroeger zo ver moest fietsen, wil toch niet zeggen dat ik daarom nu ook moet fietsen?” Hoe toegeeflijk ik ook kan zijn in andere situaties (zie mijn blog van vorige week over klusjes), ik hield voet bij stuk: “ik breng je niet!”

Maar madam ging niet op de fiets. Ze liep naar het huis van haar vriendin en stapte daar dus in de auto van de vader die wel van zijn dochter houdt. Dat ik haar juist uit liefde wilde laten fietsen, omdat bewegen goed is, je nog zelfstandiger wordt etc. etc. ging het ene oor in en waarschijnlijk het andere weer uit.

Het is natuurlijk ook veel aantrekkelijker en verleidelijker om de makkelijke weg te kiezen als dat kan. Maar soms is het ook goed om wat moeite te doen om ergens te komen. Om iets te behalen. Het is ook heel gemakkelijk om als je jezelf gezond voelt weer ‘gewoon’ te willen leven. Op stap gaan, winkelen, kroeg in, noem maar op.

Ook hierin hou ik voet bij stuk. Ik blijf nog even op afstand. Ik hou dat mondkapje nog op en mocht ik toch klachten krijgen, dan blijf ik thuis. Niet omdat ik dat nou zo graag wil, maar om erger te voorkomen. Voor mezelf én voor anderen. Uit voorzorg en liefde.

En als het dan allemaal een beetje meezit, kunnen we misschien in de zomer al weer samen genieten. Een terrasje pakken, samen winkelen, gewoon even lekker de stad in. Op de fiets! Dat dan weer wel.