Onrust of rust

30 juli 2021 Door Henk Samplonius

De zomer is bij uitstek het jaargetijde waarin mensen op vakantie gaan. Alhoewel de rest van het jaar mensen ook wel de neiging hebben er af en toe eens op uit te trekken is de zomer blijkbaar toch favoriet, mede natuurlijk ook door school- en bedrijfsvakanties. Ik vind het bijzonder om te merken dat men er heel veel voor over heeft om die vakantie te laten slagen. Dat veroorzaakt, zeker in deze tijd, heel veel onrust. Er moet nogal wat geregeld worden tegenwoordig. Behalve de reis en het vervoer moet je ook goed uitzoeken waaraan je allemaal moet voldoen en dat is tegenwoordig nogal wat.

Nederland heeft de twijfelachtige eer om op “code rood” te staan waardoor andere landen niet echt zitten te wachten op onze landgenoten die wellicht met hun bagage ook nog het corona-virus meenemen. Dus moet er een QR-code komen, getest worden, aangetoond worden dat men corona heeft gehad, enzovoorts. Alles om te zorgen dat je maar veilig kunt reizen. Ik gun iedereen een zorgeloze vakantie en een gezonde thuisreis.

Onwillekeurig gaan dan mijn gedachten terug naar vroeger. De vakanties met mijn ouders gingen niet naar verre bestemmingen maar naar mooie plekjes in eigen land. Winterswijk in de Gelderse achterhoek en Zuid-Limburg staan mij nog helder voor de geest. De voorbereidingen van toen waren heel anders dan die van nu, maar zorgden voor flink wat voorpret. Zo moest je je sowieso goed voorbereiden op de reis. Mijn vader zorgde dat de Kever in optimale staat verkeerde. Indien nodig nog even olie verversen en doorsmeren en verder de bandjes op de juiste spanning en de tank vol benzine. Normaal werd er getankt voor een tientje in de week, maar voor deze gelegenheid ging de tank vol tot aan het randje.

Ruim van te voren gingen we naar de ANWB en schaften we de kaarten aan die we nodig hadden om op de vakantiebestemming te komen maar ook kaarten voor het buitenland voor als we een dagje “over de grens” gingen. Ook werd een bezoekje aan de bank gebracht om wat Duitse marken en Belgische francs aan te schaffen zodat we in het buitenland toch ook even wat konden kopen of een terrasje konden bezoeken. Natuurlijk moesten ook de reisdocumenten op orde zijn. Paspoorten vonden mijn ouders onzin en te duur dus werd het een Toeristenkaart, een lichtblauwe kaart met foto en personalia die toegang verschafte tot de meeste Europese landen en dus ruimschoots voldoende was voor ons gezin. Zelf had ik er nog niet eentje nodig want tot mijn zestiende kon ik nog gewoon worden bijgeschreven op de kaart van mijn vader.

Een week voordat we vertrokken lagen de koffers al open op de slaapkamers en werd er af en toe al wat in gelegd. Mijn moeder hield niet van de stress van het laatste moment dus alles moest ruim op tijd klaar. Zo moest het hele huis ook op en top schoon zijn want stel dat je wat overkwam en andere mensen kwamen dan je huis binnen, die moesten toch beslist niet denken dat het bij ons thuis een troep was. Dus zelfs de laatste koffiekopjes moesten nog even worden afgewassen voordat de deur dichtgetrokken kon worden en wij de verre reis konden aanvaarden.

Met ingepakte auto en een tas vol proviand gingen we goed geluimd op pad. Uit de tas kwam af en toe een krentenbol of een snoepje en afhankelijk van de lengte van de reis werd af en toe even gestopt om de benen te kunnen strekken. Voor mijn gevoel en in mijn herinnering ging het er allemaal zeer ontspannen aan toe. Meestal namen wij onze intrek in een eenvoudig pensionnetje. Wel met “vol pension” want we wilden er wel van verzekerd zijn dat de inwendige mens ook niets te kort kwam. Als kind vind je dat dan vreselijk interessant dat je elke dag “uit eten” gaat en niet weet wat er op tafel komt.

Regelmatig bezochten we ook bezienswaardigheden in de omgeving waarbij we dan de hele dag onderweg waren. Van het pension kregen we dan een vorstelijk lunchpakket mee. We hoefden zodoende niet in een duur restaurant te eten maar konden dan ergens op een bankje in het park gezellig lunchen. Het moest tenslotte allemaal niet te duur worden. Na een week vakantie aanvaardden we de terugreis om bij thuiskomst tot de conclusie te komen dat we toch best een mooi huis hadden. “Ik ben altijd twee keer blij” zei mijn vader dan. “Als ik op vakantie ga, en als ik weer thuis kom”. Hij ging in zijn vertrouwde stoel zitten en stak een sigaar op en nam de achterstallige post door terwijl mijn moeder de koffers al uitpakte en de wasmachine aanzette. Toen was geluk nog heel gewoon.