M’n opa

1 juli 2021 Door Marleen Samplonius-Ottens

Starend sta ik deze week voor de kalender. Niet eens zozeer omdat er weer een maand voorbij is, of omdat het schooljaar en zelfs een hele basisschoolperiode is voorbijgevlogen. Dat schiet ook wel door mijn hoofd, maar ik ben aan het rekenen. Van 1898 naar 2021. Nog in de voor-vorige eeuw is mijn opa geboren op 30 juni. Nu dus 123 jaar geleden.

Ik denk nog vaak aan hem. En ook aan mijn andere opa en beide oma’s. En vaak realiseer ik me dat ze in zo’n totaal andere tijd leefden. Wat als mijn opa deze week op zijn verjaardag nog eens even bij ons op de koffie kon komen. Hij zou de smaak van Senseo niet herkennen. Hij zou zich ongetwijfeld afvragen wat zijn achterkleinkinderen toch aan het doen zijn met die kleine rechthoekige apparaatjes in hun handen, afgesloten van de wereld met oortjes (oortjes?) in.

Zo totaal anders dan zijn wereld. Een wereld met oorlogen, waarbij hij zelf in de eerste in het grensgebied gelegerd was en waarbij hij in de tweede zijn oudste zoon noodgedwongen zag vertrekken naar het land van de bezetter. Een wereld waarin hij hard moest werken. In het veen, op het land, in de werkverschaffing of in de aardappelmeelfabriek. Een wereld waarin hij gelukkig werd van zijn eigen huisje en een flinke groentetuin, van waaruit hij ons in de zomer wekelijks van boontjes voorzag.

Een wereld waarin op zondag alles stil stond. De dag waarop zijn mooiste pak voor een uur uit de kast kwam. De dag waarop hij kaarsrecht in de groene kerkbank zat en aandachtig luisterde en zong. Een dag ook die gereserveerd was voor familie. Voor ouders, broers en zussen en later voor de kinderen en kleinkinderen. Een dag waarop je hem zag genieten, met een prachtige twinkeling in de ogen.

Op zo’n staarmoment voor de kalender komen er allerlei verhalen en anekdotes naar voren. Voor een groot deel vrolijke verhalen, want mijn opa’s familie was een familie met veel humor, sarren en plagen. Het mooie vind ik, dat we dat nog steeds herhalen en ook weer doorgeven aan onze kinderen. Smartphones of niet, die échte verhalen, blijven boeien.

Als hij op de koffie zou komen, zou ik hem vragen naar die verhalen, maar ook naar zijn kijk op de wereld van nu. Zou hij er blij van worden? Zou die twinkeling in zijn ogen komen bij het zien van de wereld waarin zijn klein- en achterkleinkinderen leven? Zou hij trots kunnen zijn of zou hij juist stilletjes denken dat zijn tijd dan misschien hard was maar op andere momenten ook zo gek nog niet?

Op zulke momenten moet ik stoppen met staren naar de kalender. Want als ik dan verder ga denken, beland ik in dat deel van mijn hoofd waar het donker is. Dat deel dat zich afvraagt waarom en waarvoor. Dat deel dat de zin zoekt. De zin van het bestaan, de zin van het bestaan van mijn opa, de zin van mijn bestaan. De zin van alle veranderingen, de zin van alle waanzin.

Vaak genoeg wist ik me daaruit niet los te rukken, trok het me mee en werd ik meer dan somber. Maar deze week (en al langer gelukkig), kan ik glimlachend voor de kalender wegstappen. Ik zie de lach en de twinkelende ogen van mijn opa.  Vanavond eten we boontjes.