Het went nooit

4 november 2021 Door Henk Samplonius

Als ik naar het busje loop, moet ik even zoeken. Maar al snel zie ik jou tussen je groepsgenoten achterin in het midden zitten. Door het mondkapje zie ik je gezicht niet goed, maar je ogen spreken boekdelen. Die doordringende ogen die meer kunnen zeggen dan woorden kunnen uitdrukken. Die ogen die me lijken te grijpen. Die lijken te schreeuwen om hulp, om duidelijkheid om een flinke knuffel, om Liefde.

Een van de jongeren op de woongroep van onze zoon (17) heeft Corona. Dat is balen, want dat heeft natuurlijk de nodige consequenties. Testen is eigenlijk het eerste wat moet gebeuren. Ik begrijp van de begeleider dat onze zoon daar niet zoveel zin in heeft. Ik kan wel ongeveer nagaan hoe zijn reactie is geweest. Mocht hij dat niet willen, zou hij 10 dagen op z’n kamer moeten blijven. Gelukkig kon hij de afweging zelf goed maken en koos hij voor de test.

En dus zitten ze nu met zijn allen in een busje op weg naar de teststraat. Ze komen langs ons huis omdat de ID kaart van onze zoon per ongeluk thuis is blijven liggen. Ik kan niets anders dan even voor het raampje zwaaien en de duimen omhoogsteken om hem (en z’n groepsgenootjes) succes te wensen. Maar zodra het busje de hoek om is, komt de eigenlijke reactie. De tranen van onmacht.

Het is natuurlijk niet erg, zo’n test en onze zoon is ook nog eens volledig gevaccineerd, dus waarschijnlijk loopt dit allemaal wel aardig goed af, maar het was die blik ik zijn ogen die me zo raakte.

Die blik kennen we al van vlak na zijn geboorte. Met grote doordringende ogen keek hij de wereld in. Alsof hij wilde zeggen: waar ben ik nu toch in vredesnaam beland.

Een blik van onbegrip. Een blik van iemand met een autisme stoornis die niet begrijpt waarom de wereld zo draait zoals ie draait en die niet kan bevatten waarom mensen reageren zoals ze reageren en die niet snapt waarom het in hoofden van anderen niet net zo gaat als in zijn hoofd. Die ogen die zich dan richten op de eerste mens die hij ooit zag en die dan lijken te vragen: jij bent mijn strohalm, mijn houvast, dóe iets!

Vandaag is het de blik met de vraag waarom hij die test moet ondergaan, waarom hij misschien in quarantaine moet. Het is ook de wanhopige vraag of zijn leuke plannen voor het komende weekend, hij zou meespelen in een Spooktocht, wel door kunnen gaan. Het is de vraag die hij groter en groter maakt, waarom hem dit nou weer moet overkomen. En de vraag waarom ik als zijn moeder daar nou niets aan kan doen.

Het went nooit om die blik te moeten laten gaan. Het liefst zou ik hem uit dat busje sleuren en heel stevig vastpakken. Ik zou hem knuffelen tot hij er zat van was en meenemen naar huis. Naar zijn eigen vertrouwde omgeving bij ons. Ik zou hem weghouden bij teststraten en bij woongroepen met besmettelijke ziekten. Ik zou hem vertroetelen tot en met. Net zolang tot die ijzige, angstige, ogen weer lachen en stralen.

Het went nooit om te bedenken dat dat niet kan. Dat het zo niet werkt en dat het eigenlijk veel liefdevoller is om hem te laten gaan. Dat het goed is, voor hem en z’n groepsgenoten om die test even te doen. Dat het goed is om hem in de vertrouwde handen van zijn begeleiders mee te laten gaan. Dat het goed voor hem is om te leven in een omgeving met veel structuur en regelmaat.

Ik hoop dat hij het ooit gaat begrijpen. Dat alles wat we doen en laten voor hem uit Liefde is….