Fietsen

2 september 2021 Door Marleen Samplonius-Ottens

Het is 07:00 uur. Met de jas aan en de tas in de aanslag wacht ik op twee klasgenootjes. Het is onze eerste dag naar de Middelbare school. Bijna missen we elkaar, want de jongens fietsen gewoon door, niet in de gaten hebbend dat ik achter het huis sta en niet voor bij het fietspad. Gelukkig houdt mijn vriendin ze even verderop staande en kan ik alsnog aansluiten. Met z’n vieren fietsen we van ons dorp naar de school, bijna twintig kilometer verderop.

Het was voor mij de gewoonste zaak van de wereld. Mijn beide broers stapten ook jaar in, jaar uit op de fiets en heel veel dorpsgenoten legden die afstand dagelijks af. Voor mijn gevoel was er maar een enkeling die met de bus ging, al was het alleen al omdat de verbinding nou niet bepaald optimaal was. Een hele enkele keer, ging ik zelf met de bus, om er direct weer achter te komen dat dat helemaal niets voor mij was. Des te vrolijker stapte ik de volgende ochtend dan weer op de fiets.

De fietstochten van en naar school hebben heel veel indruk gemaakt. Misschien nog wel meer dan de school zelf. Vaak fietsten we in grote groepen, maar soms, vaak in de middag, was ik ook alleen. Hoewel ik het gezelliger vond om samen te fietsen, vond ik het alleen ook geen probleem, al meed ik dan wel de route door het bos. De walkman deed toen ongeveer net zijn intrede, maar meestal fietste ik zonder muziek. Gewoon op pad met mijn eigen gedachten.

Sommige gesprekken van onderweg kan ik me nog woordelijk herinneren. Alsof ze diepere indruk maakten omdat we dan samen op pad waren. Ik herinner me ook de militairen die we ’s ochtends vroeg soms onverwacht in het donker tegenkwamen, of de schennispleger in het bos, een botsing met een auto in de sneeuw, de vrouw die steevast op de hoek van een straat stond en een groot doek met gaten omhoog hield of de man die ons vrolijk begroette en al van verre riep: “Dag Katrijntjes!”

Soms ben ik ’s nachts in mijn dromen nog weer onderweg. Dan fiets ik ons dorp uit, maar kom niet veel verder. Meestal vertrek ik dan al te laat en kom ik onderweg niet vooruit. Soms ben ik dan ook bijna op mijn eindbestemming, maar raak ik de weg kwijt in het centrum. Een enkele keer kom ik wel op school, maar kan ik mijn fiets niet kwijt of is het zo druk in de gangen dat ik alsnog het goede lokaal niet bereik.

Deze week kwamen al deze herinneringen en dromen nog weer eens naar boven. Niet alleen omdat onze beide dochters (12 en 13) nu op de middelbare school zitten, maar ook omdat de oudste van de twee deze week met haar klas een eind moest fietsen. Eind vorige week kwam ze boos thuis en riep: weet je wat we volgende week moeten met alle tweede klassen? Op de fiets naar een klimpark. Weet je wel hoe ver dat is? Wel driekwartier fietsen!

Ik zei niets, écht niet. Dat was ook niet nodig want dochterlief vulde zelf al in: “Ja, je hoeft nu niet te zeggen dat jij vroeger elke dag zover moest fietsen!”

In de loop van de week heb ik haar er niet weer over gehoord en afgelopen maandag was het zover. Zonder tegensputteren stapte ze op de fiets en ze zwaaide vrolijk bij vertrek.

Aan het eind van de middag kwam ze met een rood hoofd, maar wel lachend, terug. Ze plofte op de bank en is daar het eerste uur blijven liggen. ’s Avonds kwamen toch de verhalen en dat vooral het klimpark erg leuk was geweest. Ergens tussendoor was wel een toon van respect voor iedereen die dagelijks zo’n eind fietst of heeft gefietst. Ach, als zij in dezelfde situatie zou zitten, zou ze het ook gewoon doen en dagelijks vrolijk op de fiets stappen. Misschien moeten we het eens een keer samendoen: die fietsroute van vroeger nog eens afleggen. Ik weet zeker dat het voor dochterlief geen probleem zal zijn, maar of ik het zelf ook nog red……..