Barmhartig?

17 juni 2021 Door Marleen Samplonius-Ottens

Samen met onze hond Ludwig loop ik aan het eind van de zondagmiddag naar het stadsbos vlak bij ons huis. Een rondje dat we regelmatig even doen. Op weg er naartoe komen we langs een kleine kinderboerderij. Als ik daar bijna voorbij ben, zie ik iemand in het gras zitten. Zijn fiets ligt voor hem half op het fietspad en half op het gras. Hij zit in kleermakerszit en houdt z’n handen (tot vuisten gebald) voor zijn gezicht. Ik loop langs hem en vraag me af of ik iets moet zeggen of doen. Ik besluit door te lopen.

Maar als ik in het bos beland, zit het me toch niet helemaal lekker. Ik ben opgegroeid en opgevoed met en doordrongen van Bijbelse verhalen en één daarvan komt nu uiteraard naar boven: de gelijkenis van de Barmhartige Samaritaan. Een verhaal dat Jezus vertelt als hem wordt gevraagd wie je naaste nou eigenlijk is. Dan ligt er ook iemand aan de kant van de weg, slachtoffer van een geweldsmisdrijf.

De mensen waarvan je verwacht dat die zeker te hulp zullen schieten, een priester en een leviet, lopen er met een grote boog omheen en de hulp komt uit onverwachte hoek. Van een Samaritaan, die in de tijd van Jezus nogal geminacht werden. Als kind wilde ik natuurlijk altijd de Samaritaan zijn in het verhaal. Niet vanwege die minachting, maar vanwege de hulp die hij bood. Zo hoort het en hoewel ik veel opvattingen van destijds heb losgelaten, probeer ik in ieder geval die naastenliefde hoog in het vaandel te houden.

Dus als ik in het bos loop, vraag ik me af waarom ik niet iets heb gezegd of gedaan. Hoewel het er niet op leek dat deze jongeman slachtoffer was van een misdrijf, had ik toch op z’n minst even kunnen vragen of alles ok was. Even schiet het door me heen: “maar wat als het een vooropgezet plan is, dat ik word beroofd door een handlanger op het moment dat ik bij hem blijf staan. Je hoort immers zulke gekke dingen”.

Hm, ook dat was een optie in het verhaal van de Barmhartige Samaritaan. Eén van tweeën, de priester of de Leviet (of misschien wel allebei) was ook bang om ook overvallen te worden. Hoe dan ook, ik had niet moeten doorlopen zonder iets te zeggen, vind ik en ik neem mezelf voor dat als hij er op de terugweg nog zit, ik hem alsnog ga vragen of alles goed is.

Hoewel ik natuurlijk stiekem hoop dat hij is vertrokken of dat anderen zich inmiddels over hem hebben ontfermd, kijk ik direct als ik het bos uitkom naar de bewuste plek. En hij zit er inderdaad nog. Het ziet er nog vreemder uit dan op de heenweg. Hij zit nog steeds in kleermakerszit, houdt z’n armen voor z’n buik en zit als het ware dubbelgeklapt voorover, zijn hoofd raakt bijna de grond. Als ik bij hem ben, begin ik tegen hem te praten. Er volgt geen enkele reactie. Ik zie dat hij wel normaal ademt en heb het idee dat hij ‘gewoon’ zit te slapen. Ik probeer op iets luidere toon contact te krijgen, maar ook daar reageert hij niet op.

Dan loopt er een andere man naar me toe. “Ik heb ook al geprobeerd contact te krijgen, maar hij reageert nergens op.” Ik opper dat ik dan misschien toch wat hulpverlening moet optrommelen. Op dat moment komt ook nog een gezin langs met een aantal kinderen, ook die moeder denkt dat hulp wel noodzakelijk is. Het ziet er immers vreemd uit, zo’n dubbelgevouwen man aan de kant van de weg bij een kinderboerderij.

Ik besluit de politie te bellen. Die regelen zelf ook direct een ambulance en ik word gevraagd om de ademhaling van de man goed in de gaten te houden. Heel lang hoeven we niet te wachten, want binnen no-time staat er zowel een politiebusje als een ambulance op het fietspad. De agenten werpen één blik en roepen datgene, waar ik zelf ook het meest aan had zitten denken: “was het Heineken of een ander merk…..”

Uiteindelijk krijgen ze de jongeman wakker, die daar niet zo van gediend is. Hij moppert en wordt uiteindelijk zo boos dat hij één van de agenten te lijf wil gaan. Die kans krijgt hij niet en voordat we het in de gaten hebben, ligt de man opnieuw op de grond, maar nu in de boeien geslagen. Hij mag ergens anders verder slapen.

Terwijl de ene agent hem in de politiebus zet, ontfermt de ander zich over de fiets. Ik besluit naar hem toe te lopen. “Tja”, zegt ik, “ik had jullie gebeld, omdat ik het niet vertrouwde. Voor hetzelfde geld was het wel iemand die onwel was geworden”. De agent geeft me groot gelijk dat ik aan de bel heb getrokken. “Los van het feit dat je niet weet wat er aan de hand is, hoort hij hier ook gewoon niet zo te zitten aan de rand van een kinderboerderij met allemaal spelende kinderen”. Ook de andere omstanders vinden dat er goed is ingegrepen.

Als ik met Ludwig terugloop naar huis, denk ik weer aan die Samaritaan. Tja, wat zou ik een volgende keer doen, vraag ik me af. Ik wilde graag ‘barmhartig’ zijn en hulp bieden, maar ik denk dat dit ‘slachtoffer’ uiteindelijk niet zo blij was met mijn barmhartigheid. Misschien moet ik een volgende keer iets minder op mijn gevoel afgaan en wat meer op de geur?  Proost!